Hielprik

Jaarlijks wordt bij 180.000 pasgeborenen de hielprik uitgevoerd. De screening van het hielprikbloed levert belangrijke informatie op over een aantal ernstige aandoeningen zoals: cystic fibrosis, sikkelcelziekte en tyrosinemie type 1. Vroegtijdige opsporing hiervan is belangrijk om schade aan de gezondheid te voorkomen of te beperken. In opdracht van de Minister van VWS is op 1 januari 2007 de neonatale screening via de hielprik uitgebreid met onderzoek naar 18 aandoeningen.

Afwijkende uitslag van neonatale screening

Door de nieuwe hielprikscreening komt het vaker voor dat een afwijkende uitslag al in de kraamperiode bekend is. Dit heeft gevolgen voor het verloop van de kraamperiode. Zo kan kraamzorg in een gezin moeten worden aangepast. Ook kunnen verloskundigen geconfronteerd worden met vragen van ouders over de betreffende uitslag. Zeker zolang de definitieve diagnose nog niet bekend is.

Om te voorkomen dat verloskundigen voor onverwachte situaties komen te staan, wordt aanbevolen dat zowel de huisarts als de verantwoordelijke verloskundige voor de kraamperiode, over de afwijkende uitslag wordt geïnformeerd. Het is nadrukkelijk niet de verantwoordelijkheid van verloskundigen om ouders te informeren over de uitslag of om het vervolgtraject te organiseren. Dit is de taak van de huisarts. De rol van de verloskundige is slechts ondersteunend. Uiteraard is samenwerking met de huisarts hierin van belang.

 

Typ uw zoektermen in. Druk op enter om te zoeken